Patrick Assink

Patrick Assink

Patrick Assink

"Patrick, als jij een bos mag aanplanten voor je (achter)kleinkinderen, hoe zou dat bos er dan uitzien?"

"Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moeten we eerst het begrip bos definiëren en kijken naar de geschiedenis van het bosbeheer.

Een bos is voor mij een levend ecosysteem dat zich niet ontwikkelt in jaren, maar in generaties. Bomen, planten, dieren, schimmels en micro-organismen vormen samen één geheel. Wanneer de natuur gezond is, profiteert uiteindelijk ook de mens. Daarom dient een bos de mens het beste wanneer de natuur de ruimte krijgt om haar werk te doen en de mens dat proces met kennis en vakmanschap ondersteunt. Juist daarom vraagt een bos om beheer dat verder kijkt dan de korte termijn.

Door de eeuwen heen zijn bossen in West-Europa vrijwel altijd aangelegd met een bepaald doel. Of het nu voedselbossen waren, hakhoutbossen, jachtbossen of bossen waar hout uit werd gehaald om hutten, meubels en allerlei gebruiksvoorwerpen van te maken, het bos had altijd een functie.

Met de grootste zorg werd vroeger nagedacht over welke boomsoorten waar het beste konden groeien. Daarvan getuigen de vele arboreta en pineta die in Europa zijn aangelegd. Al rond 1850 werd uitgebreid onderzoek gedaan naar boomsoorten die, ook bij veranderende klimaatomstandigheden, op de lange termijn vitaal zouden blijven. Dit laat zien dat duurzaam bosbeheer geen moderne gedachte is, maar al generaties lang onderdeel is van goed vakmanschap.

Naast de functie die een bos heeft voor de mens is er de natuur, die ervoor zorgt dat bomen groeien. Vooral in de eerste ontwikkelingsfasen van een bos ontstaat een grote diversiteit aan planten, insecten, schimmels, vogels en andere dieren. Al die soorten vullen elkaar aan en ondersteunen elkaar, zodat ze als populatie kunnen overleven.

Goed bosbeheer komt dus zowel de natuur als de mens ten goede.

Sinds de jaren zeventig trekken steeds meer mensen het bos in om te ontspannen. Veel mensen voelen zich prettig in een bos en ervaren rust zodra zij tussen de bomen lopen. Tegelijkertijd zien we in de natuur de strijd om te overleven. Dat is goed zichtbaar in bossen die jarenlang niet door de mens zijn beheerd. Uiteindelijk wint vaak één boomsoort de concurrentiestrijd. In veel Europese bossen is dat de beuk, waardoor een relatief eenvormig bos ontstaat. Er is daardoor minder variatie in voedsel, dekking en leefgebied voor veel planten- en diersoorten.

Om dat te voorkomen is bosbeheer noodzakelijk. Niet door de natuur te sturen, maar door met haar mee te bewegen, in hetzelfde tempo. Bomen groeien immers langzaam en zijn sterk afhankelijk van de omstandigheden waarin zij opgroeien.

Willen we het bos ook voor toekomstige generaties waardevol houden, dan zullen we als mens invloed moeten uitoefenen. Daarmee bedoel ik niet steeds nieuw beleid of ingewikkelde regels, maar juist de kennis en het vakmanschap inzetten die de mens de afgelopen duizenden jaren heeft opgebouwd. We weten heel goed hoe we hout kunnen produceren zonder het bos uit te putten; we hoeven het wiel niet opnieuw uit te vinden.

De wereldbevolking groeit en daarmee ook de behoefte aan hout. Hout is een van de meest duurzame bouwmaterialen die we hebben. Daarom moeten we de bomen die we laten groeien zo beheren dat ze uiteindelijk met een hoog rendement kunnen worden verwerkt tot hoogwaardige producten. Hoe beter de boom groeit, hoe minder energie en grondstoffen nodig zijn om er een goed eindproduct van te maken.

We moeten er dus voor zorgen dat de Europese bossen steeds meer in onze eigen behoefte kunnen voorzien. Waar mogelijk zouden we minder afhankelijk moeten worden van hout uit andere werelddelen en het hout dat in Europa groeit ook in Europa gebruiken. De beschikbaarheid van hout uit andere continenten zal naar verwachting afnemen door klimaatverandering, geopolitieke ontwikkelingen en een groeiende vraag.

Dat betekent ook dat we opnieuw moeten leren wat hout eigenlijk is. Hout vraagt onderhoud, veroudert en moet soms worden vervangen. Planken bevatten kwasten, noesten en andere natuurlijke eigenschappen. Dat zijn geen gebreken, maar kenmerken van een levend materiaal. We zullen opnieuw moeten leren ontwerpen en bouwen met de houtsoorten die in Europa groeien, in plaats van uitsluitend te verlangen naar een perfect en foutloos product.

Nederland importeert op grote schaal zorgvuldig geselecteerd hout uit de hele wereld. Dat hoogwaardige hout vormt echter slechts een klein deel van wat wordt geoogst. De overige kwaliteiten blijven grotendeels achter in de landen van herkomst. Ook daarin ligt een opgave voor Europa. We zullen opnieuw moeten leren ontwerpen en bouwen met de houtsoorten en kwaliteiten die hier groeien. Niet ieder stuk hout hoeft perfect te zijn om waardevol te zijn.

Het antwoord op de vraag hoe mijn ideale bos eruit zou zien luidt daarom als volgt:

Mijn ideale bos bestaat uit verschillende percelen, afhankelijk van de boomsoorten die er groeien. Iedere boomsoort heeft immers zijn eigen groeisnelheid. Een douglas is bijvoorbeeld na ongeveer 80 tot 100 jaar oogstrijp, terwijl een eik daar 150 tot 250 jaar over doet.

Die percelen vertegenwoordigen allemaal een andere ontwikkelingsfase van het bos. Het ene perceel is net aangeplant, het andere wordt voor het eerst gedund en weer een ander bevat volwassen bomen. Zo ontstaat een voortdurende cyclus waarin alle leeftijden van het bos naast elkaar bestaan.

Bij de aanplant zou ik zoveel mogelijk werken met plantmateriaal uit de eigen omgeving. Geen stekken uit het buitenland, maar bomen die genetisch al zijn aangepast aan de lokale omstandigheden. Ook natuurlijke verjonging verdient daarin een belangrijke plaats.

Concreet betekent dit dat ieder perceel ongeveer eens per vijftien tot twintig jaar een beheermaatregel krijgt. In de tussentijd gebeurt er zo weinig mogelijk. Eerst de aanplant, daarna een eerste dunning. Rond de leeftijd van veertig tot vijftig jaar volgt opnieuw een dunning, waarna de bomen steeds meer ruimte krijgen om uit te groeien tot kwalitatief hoogwaardige exemplaren. Vanaf ongeveer vijftig tot tachtig jaar kan een schermkap plaatsvinden, waarbij de beste bomen alle ruimte krijgen om verder te groeien. Uiteindelijk volgt de eindkap en begint de cyclus opnieuw.

Doordat deze verschillende ontwikkelingsfasen naast elkaar liggen, kunnen dieren, planten en insecten zich in alle rust door het gebied verplaatsen. De natuur is immers traag en levende organismen passen zich langzaam aan veranderende omstandigheden aan. Ze heeft geen behoefte aan een nieuw beleidsplan dat iedere vijf jaar verandert, maar aan mensen die het bos kennen, erin werken en begrijpen hoe het zich ontwikkelt. Goed bosbeheer vraagt om het denken in generaties in plaats van bestuursperiodes.

Voor mij is een bos daarom geen museum waarin we niets meer mogen doen, maar ook geen productiebos waarin alleen de opbrengst telt. Het is een levend systeem waarin natuur, mens en houtproductie elkaar versterken. Wanneer we de natuur begrijpen en haar de ruimte geven om haar werk te doen, levert zij uiteindelijk ook het beste hout, de grootste biodiversiteit en de mooiste plek voor mensen om tot rust te komen.

Zo ontstaat voor mij een bos waarin natuur, houtproductie en recreatie hand in hand gaan. Een bos dat niet alleen van waarde is voor onze generatie, maar ook voor die van onze kinderen en kleinkinderen. Want een bos dient de mens uiteindelijk het beste wanneer de natuur de ruimte krijgt om haar werk te doen.

Essentieel is dat het beheer wordt uitgevoerd door mensen die begrijpen dat goed bosbeheer niet alleen ontstaat uit theorie of beleid, maar vooral uit ervaring. Door mensen die in of rond het bos leven en werken, het gebied door en door kennen en bereid zijn in generaties te denken. Zij beseffen dat de resultaten van hun keuzes vaak pas zichtbaar worden lang nadat zij er zelf niet meer zijn. Juist omdat bomen zo langzaam groeien, laat een bos zich niet sturen vanuit een kantoor, maar vraagt het om vakmanschap, geduld en continuïteit."